‘…….… daarom moeten wij ook hier vrij zijn.’

Artikel
Datum
11 aug, 2020
Auteur
Cees Luckhardt

Cees Luckhardt - NiNseeFreelance journalist Cees Luckhardt deed onderzoek naar de historische context waarbinnen Tula tot het besluit kwam om een opstand (te durven) uitroepen in de wetenschap, dat als deze eis tot teruggave van de vrijheid zou mislukken, dit zijn doodvonnis zou betekenen?

Historische context

 

In het overgrote deel van de publicaties rond de Tula-opstand zijn vooral persoonlijke beschrijvingen terug vinden over de persoon Tula. Veel is geschreven over zijn idealen, de organisatie van de opstand en zijn terechtstelling. Samen met belangrijke informatie als het feit dat hij goed geïnformeerd blijkt te zijn, meerdere talen spreekt en bedreven is in de retoriek. Maar er bestaan slechts enkele pogingen om te komen tot een heldere en uitgebreide context beschrijving waardoor hij tot zijn daad kwam. Daarnaast kregen een vroegere pogingen om meer historische context te geven, zoals die van het NiNsee in 2009, slechts een beperkte publiciteit en lezerspubliek.

Tula publlicatie NiNsee

De 2020 NiNsee-lezing door Karwan Fatah-Black gaf een nieuwe impuls door een belangrijke voorgeschiedenis van de Tula opstand te beschrijven. Hij wijst op het historische belang van de Haïtiaanse Revolutie van 1793 in de strijd om emancipatie en de latere pogingen daartoe op andere ‘Franse eilanden’ zoals Guadelope en Curacao. Ter verduidelijking: de Franse Republiek had op 18 februari 1793 de oorlog verklaart aan de Republiek der Verenigde Nederlandenen vanaf september 1794 delen van het land in bezit, de grote rivieren leken aanvankelijk onneembare barrières totdat ze in december bevroren. Een maand later, in januari 1795, werd heel Nederland bezet en was stadhouder Willem V naar Engeland gevlucht. De regering werd, naar Frans voorbeeld, landelijk gecentraliseerd en is de geschiedenis boeken in gegaan als de ‘Bataafse Republiek’. In de ‘Franse’ periode veranderde politiek en cultuur in hoog tempo. Nederland kreeg tussen 1798 en 1815 maar liefst zes grondwetten. Deze omweteling bouwde op haar beurt voort op de Patriottische revolutie van de jaren 1780. Verschillende historici beschouwen de jaren 1770-1820 als het ‘Revolutietijdvak’ dat cruciaal is geweest voor het leggen van de grondslagen van de hedendaagse maatschappij.

De Curacaose-Tula-opstand zou dus, volgens diezelfde historici en ondergetekende, veel meer geplaatst moeten worden in het internationale perspectief van allerlei politieke ontwikkelingen en opstanden die min of meer tegelijkertijd plaats vonden en die als uitgangspunt hadden de mensenrechten. Die rechten waren al geruime tijd, onder andere door de Franse Revolutie van 1789,  in de Nederlandse rechtswetenschap en politiek gespreksstof samen met  de idee ‘dat het recht overal en altijd hetzelfde hoort te zijn’. Een groot bepleiter van de Mensenrechten was politicus Gijsbert Karel van Hogendorp. Zijn boek: ‘Verhandeling over de vrage: in welken zin kunnen de menschen gezegd worden gelyk te zyn, en welke zyn de regten en pligten die daaruit voordvloeien?’ kwam eind 1793 uit en kende in korte tijd vier drukken. Tegelijkertijd werd door tijdgenoot en hoogleraar staatrecht Adriaan Kluit, die niets van deze revolutionaire gedachten moest hebben, gemeld ‘’dat de Rechten van de Mens in Nederland niet hoefden te worden ingevoerd, omdat ze hier immers allang werden genoten’’. In 1795 werden de 19 rechten in de Nederlandse taal gedrukt en door iedereen te lezen in de ‘Hollandse Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger’.

Met het feit dat Nederland sinds januari 1795 de Bataafse Republiek kent, waarbij de hele Nederlandse regering werd vervangen voor de ‘’Democratie’’ van de Franse bezetter kwam niet alleen het land, maar ook haar koloniën onder Frans regime. De Franse wetgeving werd geïntroduceerd inclusief de rechten van de Mensch en Burgers, terwijl de verbinding van politiek Den Haag met ‘de West‘ min of meer werd verbroken. ‘Curacao en Onderhorigheden’ (d.w.z. de andere ‘Nederlandse’ eilanden) waren meer op zichzelf aangewezen en kregen ook nog eens te maken met belegeringen door Engeland en Frankrijk. Twee landen die ieder al vanaf 1788 Comités kenden die ijverde voor afschaffing van de slavernij. Tussen januari 1795 en maart 1816 kreeg Curacao te maken met drie bezetters. De Fransen hadden het bewind van 1795 tot 1800 gevolgd door de Engelsen (1800 tot 1803) waarna tussen 1803 en 1 januari 1807 opnieuw een Franse periode aan brak. De Engelsen keerde weer terug vanaf 1807 voor een periode van bijna tien jaar. Uiteindelijk Curaçao op 14 maart 1816 weer een Nederlands bestuur.

In de ‘plakkaten’ van 1780-1820 is naast bovenstaande gegevens terug te lezen dat er op Curacao in deze periode problemen zijn rond ‘orde en rust’. Informatie die ook terug te vinden is in de jaren vlak voor de opstand. Zo beschrijft A. F. Paula in de inleiding van de  bronnenuitgave van de originele overheidsdocumenten over de slavenopstand: ’dat de bestaande gespannen verhoudingen op het eiland, (rond 1791) zo niet als mede-oorzaken, dan toch ministens als ‘’gunstige condities’’ voor de opstand hebben gediend’. ‘Wij hebben voldoende aanwijzing om aan te nemen dat de toestand vier jaar later eerder verslechterd dan verbeterd was’.

Vervolgens somt de historicus Paula omstandigheden op rond de verdeeldheid binnen het bestuur en de eilandbewoners waarvan mogelijk een van de belangrijkste oorzaken is de toestand rond de WIC die in 1792 overgenomen werd door de Staten Generaal. Ook bij defensie blijkt er veel te wensen over richting de soldaten. ’Deze eenheid, zo er sprake kon zijn van een eenheid, werd gevormd door oude, gebrekkige en vaak zelfs verminkte manschappen, de nauwelijks in staat waren aan de meest elementaire eisen van het krijgsleven te beantwoorden’. ’In de oorlog tegen Groot-Brittanje had men ter defensie van het eiland een vrij-corps opgericht ‘’bestaande meestal uit mulatten, mustiezen [1] en eenig opgeraapt volk, zijnde omtrent 250 manschappen sterk…. ‘’. ([1]Noot: ‘Mustiezen’ zijn mannen die geboren zijn uit een dochter van een mulattin en een witte man)

Iets verder levert Paula nog meer informatie over de onrustige situatie op Curacao in het jaar van de Tula-opstand, hij geeft aan: ‘’niet in te gaan op de revolutionaire geest die rond deze tijd in Frankrijk zijn oorsprong had en waarvan ook Nederland niet gespaard bleef, zij hier ook gewezen op de botsingen die begin 1795 op Curacao plaats vonden ‘’tussen het garnizoen en de burgers en tusschen deze laatsten onderling[2], welke onlusten niet alleen een volkomen verwijdering tusschen burgers en militairen veroorzaakten, doch ook de totale vernietiging van de tot toen zoo gelukkig bewaarde rust en goede orde’’.  Dit alles veroorzaakte onzekerheid, ’over de te verwachten nieuwe regeringsvorm in het moederland’ en leverde een gebrek aan rust en orde op het eiland. Plus een ‘gebrek aan orde en discipline, zowel bij de politie als bij de strijdkrachten’. ‘Terwijl er een revolutionaire geest heerste onder de zwarte bevolking’. Die ‘zwarte bevolking’ vormde op het eiland de over grote meerderheid. De  Curaçaose bevolking van ongeveer 20.000 personen bestond rond 1790 voor een grote meerderheid uit  ‘slaafgemaakten’ (60%), 20% ‘vrije negers en kleurlingen’ en 20% blanken.  ([2]Noot: begin 1795 stonden op Curacao Oranje gezinde burgers tegenover burgers die aanhangers waren van de Franse Republikeinse ideologie).

Een op 26 mei 1795 gepubliceerd plakkaat kent de mededeling ‘’dat de vriendschap tussen Frankrijk en de Republiek hersteld is’. ‘En dat een ieder werkzaam dient te zijn tot de conservatie van rust en goede order alhier’. Op 4 augustus volgt opnieuw een plakkaat met een oproep tot ‘orde en rust’. ‘In afwachting van een ‘charter’ moet de huidige bestuurders de orde handhaven’. Op Curacao is het dus wachten op een rechtsbeginselen document vanuit de centrale Haagse politiek en in deze onduidelijke politieke situatie dient men vooral de orde te bewaken! Het plakkaat verwijst opnieuw naar de vrede en vriendschap met de Franse Republiek en de Verenigde Nederlanden en roept op tot een ‘voorbeeldig gedrag’ van zowel de Franse- als de Nederlandse troepen. ‘Men dient niet iets of het geringste te bedrijven waardoor de orde en rust in gevaar komt’. ‘Burgerlijke oorlogen en inlandse onlusten moeten worden voorkomen’. ‘Sedert enige dagen hebben alhier verscheidende onlusten plaats gehad’. ‘Elke oproep zal krachtdadig belet/voorkomen/aangepakt en gestraft’. Hoewel er in 1795 al eerder plakkaten zijn verschenen met de mededeling dat er een verbod bestaat op wapenbezit, wordt dit verbod begin augustus nog eens herhaald inclusief allerlei details.   

Twee weken na het verschijnen van dit plakkaat en ruim zeven maanden nadat het Frans regime in Nederland geldt, dat ook wel de ‘Bataafse vrijheid’ wordt genoemd, start Tula de grootse opstand op Curacao. Vooraf heeft hij hoogstwaarschijnlijk van vrijgemaakte slaven die dit zelf op Curacao kwamen vertellen dat de Haïtiaanse opstand geslaagd was, het eiland Saint-Domingue, onder Frans bewind, zou al bevrijd zijn. Achteraf bleek dit onjuiste informatie, pas in 1804 werd dit werkelijkheid en kreeg het eiland de naam Haiti.

Mogelijk heeft Tula zich voor de organisatie en het onderhandelen tijdens zijn opstand laten inspireren door andere slavenopstanden zoals die in Suriname. Daar was op 22 februari 1757 een opstand begonnen die de start vormde voor de bijna veertig jaar durende ‘Boni-oorlogen’. Net als in de Tula-opstand vluchtte in de ‘Tempatie-opstand’ honderden opstandige slaven van allerlei plantages die ze soms kort bezet hielden. Al na drie dagen gaven de Surinaamse opstandelingen zich over nadat ze een vrije aftocht was aangeboden. Ze hielden echter wel het hele Tempatie-gebied bezet. Na allerlei mislukte militaire expedities met als doel ze terug te brengen naar ‘hun’ plantages, verlieten de opstandelingen na zes weken zelf het gebied. Voor vertrek voorzagen ze zichzelf van wapens, munitie en allerlei gereedschappen. Twee maanden later, vanaf 15 april 1757, begonnen de guerrilla aanvallen weer opnieuw die vervolgens decennia lang zouden gaan duren. In 1793 vielen de aanvallen even stil doordat de lang gezochte vrijheidsstrijder Boni werd verraden en vermoord.

In het plakkaat dat tijdens de Tula-opstand verschijnt lijken de Curaçaose bestuurders inspiratie te hebben gevonden in Surinaamse verordeningen: ‘medeplichtigen, die Tula, Carpata en andere oproerige Negers aanbrengen, zullen worden beloond met bevrijding van straf en ontslag van alle slaafse dienst’. ‘Blanken krijgen als beloning voor het aanbrengen van ‘een oproerig opperhoofd’ 25 johannissen’. Ook verschijnt er een plakkaat met een oproep tot het inleveren ‘van bij de slavenopstand verkregen wapens uit landsmagazijn’ en komen er regels rond het bezit van buskruit, dit doet vermoeden dat Tula met zijn aanhang het voorbeeld van het ‘Boni-leger’ volgt. Na hun arrestatie worden Tula, Carpata en vijftien ‘andere oproerige Negers’, net als Boni twee jaar eerder, gedood. Bijna alle andere Tula-medestanders krijgen geen straf, ze worden gesommeerd terug te gaan naar hun plantage en weer aan het werk te gaan. Al tijdens de opstand hadden de bestuurders gevraagd om met ‘kragtdadige middelen’ de ‘oproerige neegers tot hun (werk)pligt te brengen’. In oktober 1795 wordt een ‘Generale amnestie’ uitgevaardigd ‘aan alle negerslaaven die welke zich aan de opstand hebben schuldig gemaakt op die voorwaarde dat zo er nog negers in de bosschen mogten zijn dezelven zich binnen tijd van 14 dagen zullen hebben te begeven op hunnen respectieve plantagien en aldaar hunne arbeid hervatten’. 

Tula straf

Om de vrijheidsstrijd van Tula nog beter te kunnen begrijpen is het van belang om een beeld te krijgen van de wettelijke regelingen en gebeurtennissen die in Nederland, Europa en het Caribisch gebied vooraf gingen. In dit kader is het belangrijk om op te merken dat alle niet-vrije mensen in 1721 met het afkondigen van de doodstraf ‘op weglopen’ er nogmaals op worden gewezen dat ze de mogelijkheid hebben om ‘zichzelf vrij te kopen’ middels ‘manumissie’. De eerste afgifte van een vrijbrief (‘manumissie’) op Curacao, waarmee een mulattenmeisje werd vrijgekocht, dateert van 1722. Met deze twee wetten rond het terug krijgen van ‘vrijheid’ maakt men aan de slaafgemaakten duidelijk dat het niet nodig is om met gevaar voor eigen leven te vluchten of in opstand te komen. Vrijheid kon immers worden terug gekocht tegen een eenmalige betaling. Een bedrag dat vergelijkbaar was met het gemiddeld jaarsalaris van een matroos en de aanschafprijs die de ‘eigenaar’ had moeten betalen.

Daarnaast moet opgemerkt dat politieke bewindvoerders door hun denigrerende denken over de slaafgemaakten weigerde te geloven dat opstandelingen vanuit een vooropgezet uitgedacht plan opereerde.  Surinaamse bestuurders waren van mening dat ‘slaven slechts vanuit een natuurlijke en primitieve reactie handelende’ en ‘dat ze zich aangemoedigd voelde door de successen die de vluchtelingen boekte in de strijd tegen de militairen’. Daarnaast waren de bestuurders van mening dat, hoewel in de Boni-oorlogen en het aanvallen van diens Fort-Boekoe  ‘zwarte jagers’ waren geworven en ingezet, de zgn. ‘redi musu’ soldaten, niet samen in een leger konden met witte soldaten. Ze zouden zich dan gelijkwaardig gaan voelen aan de witte soldaten. Ook op Curacao vochten zwarte soldaten in het Vrije Korps die een belangrijke rol vervulde bij het onderdrukken van slavenopstanden. Wel speelde, volgens historicus Jordaan, de afkomst van de zwarte soldaten en de opstandelingen een rol in de onderdrukking. Zo waren de opstandelingen van 1750  pas kort geleden op Curacao aangekomen. Tula daarentegen werd gedragen door de Papiamentstaligen en kon rekenen op de steun van de Curaçaose vrije zwarte bevolking waardoor de witte bestuurders in 1795 veel minder op steun van het Vrije Korps konden rekenen dan in 1750. Een aanzienlijk deel van de militie zou zich, volgens Jordaan, zelfs hebben onttrok aan de militaire campagne tegen Tula. 

Een ander belangrijk gegeven is het feit dat Curacao voor de opstand van 1795, samen met Sint-Eustatius, al een eeuw lang een vrijplaats was. Zo was Curacao tijdens de Zevenjarige oorlog (1756-1764), waarin Nederland een neutrale positie innam en de Franse koloniën geïsoleerd werden door de Engelse marine, een schakel in de smokkelhandel naar de Franse Caribische eilanden. Onder andere Walcherse slavenschepen zette toen veelvuldig koers naar Curacao om daar slaven te verkopen aan Franse smokkelaars. De Nederlandse kolonie St. Eustatius erkende en steunde in 1776 als eerste de vrijheidsstrijd tegen de Engelse heerser in Amerika. Hier werden in 1777 maar liefst 2400 schepen in- en uitgeklaard om de dertien opstandige Noord-Amerikaanse koloniën te ondersteunen met wapens en andere militaire goederen. Na Nederland besloten ook de Fransen en de Spanjaarden om de onafhankelijke Verenigde Staten van Amerika te erkennen. Engeland verklaarde in 1780 de oorlog aan Nederland mede vanwege haar ‘smokkel’ steun aan de Amerikaanse rebellen. De Vierde Engelse oorlog (1780-1784) droeg dan ook het karakter van een Britse strafexpeditie, maar kon de Nederlandse sympathie voor de Amerikaanse vrijheidsstrijd niet verminderen. In 1781 werd de naar Den Haag afgereisde John Adams officieel door de Staten Generaal erkend als gezant van de Verenigde Staten.

Uit de plakkaten blijkt dat het bestuur op Curacao, mogelijk door haar functie als vrijplaats, goed op de hoogte is van ontwikkelingen in het Caribisch gebied. Zo vaardigt ze in 1792 al een plakkaat uit waarin de instructie wordt gegeven dat men ’alleen de havens van Saint Domingue moet aandoen die in handen zijn van de blanken’, inclusief een lijst van alle ‘veilige’ havens. Een jaar later blijken er op Curacao zelf extreme problemen met het leger te zijn want men wordt opgeroepen ‘om geen uitrustingsstukken te kopen van militairen’. In het plakkaat van 1793 wordt deze handel bestempelt als ‘onwaardig’ en wordt als straf vermeld: ‘in beslagname en lijfstraffen voor negers en mulatten’. In 1794 lijkt de situatie rond de Curaçaose soldaten nog verder verslechterd, de plakkaten gaan nu ook over hun rantsoen regeling. Ook neemt men maatregelen voor het uit Saint Domingue  aanvoeren van ‘nieuwe negers’ . Die moeten snel na aankomst, binnen een maand, worden verkocht. De spanningen op Curacao lopen nog verder op want het eiland krijgt in 1794 een avondklok:’ iedereen moet voor 9 uur binnen zijn. Negers en mulatten die niet een brandende lantaarn dragen en geen getekend biljet van hun eigenaar bij zich dragen zullen gestraft worden met de watapana-roeden: (25 bullepeesslagen)’. Deze regel geldt zowel voor ‘vrijen’ als ‘slaven’ en dus ook voor de ‘pontjesneger’ die hun pontjes na 9 uur varen. 

Al deze gegevens maken duidelijk dat de Curaçaose slavenopstand van 1795 absoluut geen onbezonnen actie was van een enkeling die in zijn tijd, en tot eind jaren zeventig van de vorige eeuw, omschreven werd als een ‘aanvoerder van het moordzieke rot’ en het ‘opperhoofd der moordenaars, plundering en brandstichters’. Tula moet voor zijn goed georganiseerde opstand, inclusief een overval op het landswapenmagazijn, al lange tijd met zijn kamerraden hebben gewacht op het ‘juiste’ moment. Een moment waarop de revolutionaire geest, die al jarenlang rond waarde op Curacao, omgezet kon gaan worden in een opstand. Mogelijk werd gewacht op een moment waarop de burgerij, die al vanaf januari 1795 zowel in Nederland als op Curacao in een onderlinge strijd was verwikkeld, nog sterker verdeelt was. En de militairen op het eiland nog meer in het ongewisse waren over hun soldij, rantsoen en de (Franse) wetten en bevelen van waaruit ze de orde diende te handhaven. Op 17 augustus oordeelde Tula dat de politieke-, wettelijke en militaire situatie op Curacao een zodanige vorm had gekregen dat hij zijn opstand in praktijk kon brengen. Behalve aangemoedigd door de langdurige successen van het ‘Boni-leger’ zal het feit dat Curacao en haar ‘moederland’ al ruim zeven maanden te maken had met een Frans wetgeving en dito bestuur een doorslaggevende rol hebben vervult. De ‘Bataafse vrijheid en democratie’ erkende immers in theorie de rechten van de mens; als gelijk en vrij geboren.  

Geconcludeerd kan worden dat Tula beschikte over een stevige grond om de vrijheid terug te eisen voor de slaafgemaakten zoals al in 1891 was gebeurd op het Franse Siant Domingue (het latere Haïti). Terecht merkte hij tijdens de onderhandelingen op: ‘De Franse negers hebben hun vrijheid gekregen, Holland is ingenomen door de Fransen en daarom moeten wij ook hier vrij zijn.’

Op zondag 16 augustus 2020, van 19.30 – 21.30 uur, organiseert het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee), in het kader van de jaarlijkse Tula Herdenking, een talkshow met live muziek en uiteenlopende gasten afkomstig van alle eilanden uit het Caribisch deel van het Koninkrijk. De livestream van het programma is live op TV te bekijken via RTV-7 (KPN kanaal 93 en ZIGGO kanaal 75), via ninsee.nl en via de Facebookpagina’s van het Curçaohuis, het Arubahuis, het Sint Maartenhuis en stichting Ocan.  

Monument TulaTula monument Usher