Erkenning Nederlands trans-Atlantische slavernijverleden

Erkenning Nederlands trans-Atlantische slavernijverleden 

Met de onthulling van het  Nationaal Slavernij Monument door koningin Beatrix kwam er op 1 juli 2002 eindelijk een eerste aanzet in de lang gekoesterde wens vanuit de Afro-Surinaamse, Afro-Antilliaanse en Afrikaanse diaspora gemeenschappen voor zichtbare aandacht voor het trans-Atlantische slavernijverleden in Nederland. Het jaar daarop, in 2003, werd het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis [NiNsee] opgericht. Zowel het monument als het NiNsee staan in Nederland symbool voor de erkenning van het Nederlandse trans-Atlantische slavernijverleden. 

Sinds 2002 vindt ook de nationale herdenking van de slachtoffers van het Nederlands slavernijverleden jaarlijks plaats op 1 juli in het Amsterdamse Oosterpark. Ook de aansluitende viering van de afschaffing van dat verleden - Keti Koti (verbroken ketenen) - gebeurt elk jaar na de herdenking in dit park. 

Een aanzienlijke groep mensen heeft bergen werk verzet om het trans-Atlantische slavernijverleden onder de aandacht te krijgen in Nederland. Hun onuitputtelijke inzet, voortdurende activisme en doortastende lobby mogen niet los worden gezien van de realisatie van het tastbare monument en het ontstaan van het NiNsee.  

Als we verder terug de geschiedenis in kijken zijn er nog tal van personen, stemmen en organisaties geweest die in Nederland vanaf de jaren dertig continue aandacht hebben gevraagd voor het Nederlandse aandeel in het slavernijverleden. Waaronder ook een groot aantal schrijvers. Zo schreef de Surinaamse auteur Albert Helman in 1931 het boek ‘De stille plantage’. Helman schiep hiermee het genre van de postkoloniale slavernijroman. Drie jaar later, in 1934, verscheen van de hand van verzetsstrijder Anton de Kom het meesterwerk en de klassieker ‘Wij slaven van Suriname’. Mede dit boek, dat de geschiedenis van Suriname vanuit een persoonlijk perspectief beschreef, zorgde voor een bredere bewustwording en wakkerde mensen tegelijkertijd aan om meer te weten te komen over het Nederlands aandeel in de trans-Atlantische slavernij.  Een jaar later, in 1935, publiceerde Cola Debrot het boek ‘Mijn zuster de negerin’. In datzelfde jaar promoveerde Moises da Costa Gomez ook op een kritisch proefschrift over de Nederlandse koloniale politiek op Curaçao. De Surinaamse hoogleraar Rudolf van Lier schreef in 1949 de sociaal-historische studie ‘Samenleving in een grensgebied’, wat als één van de standaard werken over de koloniale periode in Suriname geldt.  

In de jaren vijftig en zestig richtte een groep Surinaamse en Antilliaanse studenten in Nederland de organisaties Wi Egi Sani (ons eigen ding) en Kibra Hacha (een boom in volle bloei) op. Beide organisaties hielden regelmatig bijeenkomsten met debatten, lezingen en theatervoorstellingen over de slavernij en de koloniale periode.  

Nog een groot aantal minder bekende schrijvers, dichters, kunstenaars, wetenschappers en activisten hebben met hun beschouwingen, publicaties en artistieke uitingen met regelmaat aandacht gevraagd voor de slavernij geschiedenis waar Nederland een groot aandeel in had. Al die inspanningen hebben in 1999 geleid tot een bundeling van een aantal organisaties in het Landelijk Platform Slavernijverleden (LPS). En met als uiteindelijk resultaat de onthulling van het Nationaal Slavernijmonument in 2002 en in 2003 de oprichting van het NiNsee.