Over het lot van Surinaamse vrouwelijke slaven tijdens de slavernij is nog weinig bekend. Via archieven van plantages, procesverbalen en literatuur, is nog enige informatie te vinden en tegenwoordig kom je deze verhalen steeds meer op internet tegen. Zo ook het verhaal van de slavin Melanie.
Melanie, eigendom van mevrouw Van het Kruijs die haar als kind had gekocht, was op de vlucht voor haar mevrouw. Van kindsaf werd Melanie afgebeuld en getiranniseerd. Zij moest het hele huishouden doen, had de zorg voor de zeven kinderen van haar meesteres en moest goederen op straat verkopen.
Op een dag werd haar eigen baby ernstig ziek, maar ze mocht het niet mocht verzorgen, omdat ze op straat goederen moest verkopen. Toen ze thuiskwam vond ze haar baby vermoord terug. Melanie had toen de moed om weg te lopen. Zij vluchtte langs de Parakreek en na een dag en nacht lopen kwam zij, totaal uitgehongerd, aan op plantage Loefbeek. Deze plantage was niet meer rendabel en enkele slaven die aan lepra leden werden er door de eigenaar achtergelaten.
Hier ontmoette zij de aan lepra lijdende slaaf Mei, bij wie zij bleef en met wie zij twee kinderen kreeg. Op 3 juni 1831 werd zij samen met de andere 'schuilers' en haar kinderen en man gevangen genomen en naar Paramaribo gebracht door een bospatrouille, die door de planters waren gestuurd. Haar man Mei, was erg zwak en werd naar de leprozerie Boniface gebracht. Over Melanie en haar kinderen is verder niets bekend. Het vermoeden bestaat dat zij, na te zijn afgestraft met de Spaanse bok - in knielende houding gemarteld worden - is teruggebracht naar mevrouw Van het Kruijs.
Bron: website vijf eeuwen migratie.