2010-2011
Rebelse slavinnen. Een zoektocht naar vrouwelijke slaven die onverschrokken slavernij aan de kaak stelden
Wat de trans-Atlantische slavernij heeft betekend voor de tot slaafgemaakte is vooral belicht vanuit het perspectief van mannelijke slaven. Vooral het verzet dat slaven pleegden om hun onvrede over het systeem te uiten, is een verhaal van mannelijke helden. Bekend zijn de opstandelingen als de Surinaamse Baron, Boni & Joli Coeur, Boston Band, Codjo, Mentor en Present. Van de Nederlandse Antillen kennen we de verzetsdaden van Tula, Carpata en Thico. Hoewel het niet aannemelijk is dat slavinnen zich ook groots hebben verzet tegen het onrecht van slavernij, is hieraan nauwelijks aandacht besteed. Wel is er sinds begin jaren 90 van de vorige eeuw meer aandacht voor het verborgen verzet van vrouwen zoals abortus, babymoord, zelfmoord, (zelf)vergiftiging of werkweigering. In ruimere zin wordt de ontwikkeling van een verzetscultuur aan slavinnen toegeschreven. Binnen deze verzetscultuur kregen nieuwe vormen op het gebied van verwantschap, creolisering, taal, zang, dans en muziek geldeconomie een belangrijke plaats. Dit proces wordt ook wel creolisering genoemd. Toch moeten er los hiervan sterke, markante vrouwen zijn geweest die het verloop van slavernij hebben beïnvloed. Waar zijn deze vrouwen en wat weten we van hen? We kennen slechts een paar die bij het grote publiek nauwelijks bekend zijn. Zoals de slavin Serafina en haar dochter Jansie die hun meesteres in een put wilden duwen. Ma Cato die als orakel bij de vredesonderhandelingen tussen de Marrons en het koloniale gezag een invloedrijke rol speelde. Of de Arubaanse slavin Virginia die op straffe van opsluiting en zweepslagen keer op keer het koloniale gezag tartte. Wat dreef deze vrouwen? Het onderzoek zal zich exclusief richten op vrouwelijke slaven die middels opmerkelijke verzetsdaden tegen slavernij in opstand kwamen.
Naar verwachting wordt dit onderzoek nog in 2010 afgerond. Er zal dan een projectplan worden geschreven om subsidie aan te vragen voor een publicatie over dit onderwerp en een toneelbewerking.
Sociale banden slavenbevolking Suriname (tweede helft 19e eeuw). Publicatiereeks: Hernhutter Archieven Suriname
In samenwerking met het Archief van de Evangelische Broeder Gemeente (EBG) in Suriname wordt een langlopend project uitgevoerd onder de titel Sociale banden tussen slavenfamilies. Inmiddels zijn al 4 publicaties verschenen, gebaseerd op de catalogi A, B, C & D uit het zendingsgebied Charlottenburg. Er is reeds een aanvang gemaakt met onderzoek gebaseerd op de catalogi A en B uit het zendingsgebied Paramaribo. Naar verwachting zullen in 2011 nog meer studies worden gepubliceerd, gebaseerd op de catalogi C en D uit het zendingsgebied Paramaribo.
In de gebieden buiten Paramaribo hebben de zendelingen van de Evangelische Broeder Gemeente Suriname gewerkt onder groepen die in meerderheid uit slaven bestonden en hoofdzakelijk landbouwwerkzaamheden verrichtten. Dat lag volstrekt anders in Paramaribo, waar slaven en vrije personen (blank en zwart) woonden die verschillende beroepen uitoefenden. Daar komt bij dat een grote minderheid van de bevolking die in Paramaribo woonde, in Afrika was geboren. Ook in dit opzicht onderscheidde de bevolking in Paramaribo zich van de samenlevingen in de districten. In de studies over Paramaribo zal nagegaan worden of de heterogene structuur van de stadsbevolking zich weerspiegelde in de kerkgemeente.
Over de rol van zwarte slaveneigenaren is nog weinig gepubliceerd. Wij zullen dit thema behandelen in het licht van het debat over de zwarte slaveneigenaren tijdens de slavernij in Amerika. Ook de import van Afrikanen na het verbod op de slavenhandel wordt aan de orde gesteld. Wij besteden ook aandacht aan de doorwerking van Afrikaanse cultuurelementen in Suriname.
De gegevens zijn van belang voor de beantwoording van enkele belangrijke onderzoeksvragen. Het archief van de Evangelische Broedergemeente in Suriname is een belangrijke bron van informatie over de periode van de slavernij. De gegevens kunnen nieuwe inzichten bieden in de geschiedenis van Suriname welke het moegelijk maakt om genealogieën op te stellen, het leent zich onder meer voor linguïstische studies, biedt informatie over zwarte slaveneigenaren, illegaal geïmporteerde arbeiders (vrije Afrikanen), etnische (stam) aanduidingen.
Slavenhandel tussen Curaçao en Colombia
Dit onderzoekproject gebruikt als vertrekpunt de afschaffing van de slavenhandel door de Britten in 1808. Rondom deze periode staan de Engelsen alleen, want de andere Europese landen gaan waar mogelijk openlijk door met de slavenhandel en in andere gevallen worden tot slaafgemaakten illegaal verhandeld. In dezelfde periode ontstond een levendige handel in tot slaafgemaakten tussen Curaçao, het centrum van de Nederlandse slavenhandel in het Caribische gebied, en Colombia. Vragen zoals: Wie waren de drijvende krachten achter deze bloeiende handel? Wat was de legale en juridische positie van de Nederlandse staat hierin? komen aan de orde in dit onderzoek.
Het project wordt uitgevoerd in samenwerking met de Universidad del Valle in Colombia, het National Archeological - Anthropological Memory Management (NAAM) in Curaçao. Voortgang van het onderzoeksproject is afhankelijk van de fondsenwerving.
Transatlantische slavenhandel en Suriname
De slavenhandel werd in 1807 door Engeland afgeschaft en in 1814 door Nederland. Dat gebeurde onder druk van Engeland. Daarmee was echter nog geen einde gekomen aan het inhumane systeem van mensenhandel. Want met het verbod op de slavenhandel begon een periode van illegale trans-Atlantische handel in Afrikanen. Om ook hieraan een einde te maken namen de Britten in 1818 twee besluiten:
- herdefiniëring van het begrip slavenschip.
- oprichting van gerechtshoven.
Indien de Britse marine constateerde dat een schip dat zich in de omgeving van de West Afrikaanse kust bevond, voorzien was van veel planken, watervaten en kookketels, dan werd het schip in beslag genomen ook al waren er geen Afrikanen aan boord. Het werk van de Britse marine werd bemoeilijkt door de frauduleuze praktijken van de Nederlandse gouverneur Spengler van St. Eustatius, die de kapiteins van schepen aan scheepspapieren hielp [Emmer 1974: 193]. Het tweede besluit dat werd genomen om de illegale handel in Afrikanen [wat Suriname betreft] in te dammen was de oprichting van een Engels-Nederlands gerechtshof , dat in Paramaribo werd gevestigd.
Voor zover bekend was het internationaal gerechtshof gevestigd in het Ston Oso aan de Zwartenhovenbrugstraat. Tot zover de gegevens die wij grotendeels hebben ontleend aan publicaties van P.C. Emmer [Engeland, Nederland, Afrika en de slavenhandel in de negentiende eeuw. Leiden: E.J. Bril] en J.P. Siwpersad [De Nederlandse regering en de afschaffing van de Surinaamse slavernij, 1833-1863. Groningen: Bouma’s Boekhuis].
Een aantal vragen staan centraal in dit onderzoeksproject:
Hoeveel Afrikanen werden illegaal in Suriname ingevoerd, en hoe kunnen hun namen worden getraceerd in de archieven?Is Ston Oso inderdaad het gerechtsgebouw geweest? Zo ja, zijn er nog andere materiële overblijfselen? Bieden de archieven over de plantage Voorzorg nog informatie over Afrikanen die er hebben gewerkt?
Bovendien is het van belang om te achterhalen of de Engelse archieven nieuwe inzichten bieden over het werk van het Hof. De uitvoering van het project waarin de diverse thema’s aan de orde zullen komen zal naar verwachting 2 jaar duren. Het is een samenwerkingsproject tussen Stichting Slave Route, Suriname en het NiNsee.
Wat zeiden ze zelf
In het huidige historisch onderzoek over het slavernijverleden is in toenemende mate de tendens om bronnen op te sporen waarin tot slaafgemaakten zelf getuigen. In de bestaande werken over slavernij is voornamelijk gebruik gemaakt van geschriften, kronieken, getuigenissen van bestuurders en plantagehouders. Zij hebben daardoor grotendeels het beeld over het slavernijverleden bepaald. Bij nader onderzoek blijken in het Nationaal Archief en de gemeentelijke archieven in Amsterdam en Rotterdam bronnen aanwezig te zijn direct of indirect afkomstig van de tot slaafgemaakten, ex-slaven en anderen. In de Nederlandse geschiedschrijving over slavernij verkeert de zoektocht en ontsluiting van deze bronnen nog in de beginfase.
Het doel van dit onderzoek is bekendheid geven aan getuigenissen van tot slaafgemaakten en anderen waardoor een evenwichtiger beeldvorming van het slavernijverleden kan worden bereikt. Een beeld waarin naast de dominante getuigenissen van de plantagehouder, kroniekschrijvers, administrateurs en anderen ook de verhalen en denkbeelden van de tot slaafgemaakten en anderen door henzelf naar voren worden gebracht.
Waar leiden hun wegen naar toe. Afro-Caribische Nederlandse jongeren: identificatie en sociale mobiliteit
Een individu kan stijgen of dalen in zijn/haar sociale mobiliteit (beweging). Het is ook mogelijk dat iemand blijft steken in de sociale mobiliteit (stagnatie). Dit onderzoeksproject is gericht op het achterhalen van de wijze waarop nazaten van tot slaafgemaakten, getracht hebben om de armoede te ontstijgen en het te ‘maken’. Het uitgangspunt is dat iedereen de ambitie heeft en wellicht de potentie om van de ene sociale klasse naar de andere te stijgen. Kan het zo zijn dat voor arme zwarten het dubbel zo moeilijk is dan voor witte Nederlanders om vooruit te komen? De zoektocht van Afro-Caribische Nederlandse jongeren naar hun identiteit staat in relatie tot culturele herinnering en identificatie (belonging). Hun opwaartse sociale mobiliteit is grotendeels gebonden aan de wijze waarop ze zichzelf zien en identificeren en de wijze waarop ze benoemd en bejegend worden in de samenleving. Hun sociaal- economische positie in de samenleving kan wellicht te maken hebben met hun raciale en culturele afkomst. Het geboren en getogen zijn in Nederland en burger zijn van Nederland schijnen niet genoeg te zijn om automatisch hier thuis te horen.
Public History, Museums and African Diaspora Memory in England and the Netherlands
Dit onderzoeksproject is een samenwerking tussen het Departement of African-American Studies van de Universiteit van California, Berkeley en het NiNsee en wordt uitgevoerd door dr. Stephen Small en dr. Kwame Nimako. Beide onderzoekers zullen een analyse maken van de betrokkenheid van zwarte gemeenschappen in presentaties van het kolonialisme en het slavernijverleden in musea en andere instellingen in Engeland en Nederland. Als uitgangspunt worden genomen de Atlantic Slave Trade Gallery in Liverpool en het NiNsee in Amsterdam. Onderzocht wordt hoe het oprichtingsproces van beide instituten, alhoewel verschillend van oorsprong en resultaat, ons inzicht verschaft in de hedendaagse strijd van zwarte gemeenschappen in Europa om meer betrokkenheid in presentaties over het kolonialisme en het verleden.
Economische ontwikkelingen onder de creolen na de emancipatie van slaven in Suriname, 1873 – 1940
In de jaren na de afschaffing van de slavernij zijn er op economisch gebied verschillende ontwikkelingen op gang gekomen. De plantages konden zich handhaven, omdat de tot slaafgemaakten in eerste instantie niet massaal de plantages verlieten en omdat contractanten van Azië naar Suriname werden gehaald. Rond de eeuwwisseling ontstonden meerdere economische mogelijkheden voor creolen toen de mijn- en bosbouwsectoren tot ontwikkeling werden gebracht. Balata en goud zorgden voor een opleving in de Surinaamse economie. De winning van bauxiet in de eerste helft van de 20ste eeuw was een verdere stimulans aan de Surinaamse economie waar creolen in eerste instantie ook een bijdrage aan leverden.
Toch bestaat het beeld dat creolen niet zichtbaar waren in dit geheel. Studies van die tijd geven een beeld waarbij stereotype opvattingen als zouden creolen lui zijn, worden gepresenteerd. Dit idee is terug te vinden is in diverse publicaties en rapporten. Vandaar dat het belangrijk is om een systematische beschrijving van de participatie van creolen in de economie van Suriname te geven en verder onderzoek te doen naar de periode vanaf 1873.
Bovendien is het belangrijk om de langzame intrede in de ambtenarij te beschrijven. Onderwijs stond daarbij centraal. Veel nadruk werd gelegd op scholing. Deze ontwikkelingen doorbreken het beeld van passieve creolen die aan de kantlijn stonden en die geen actieve rol hebben gespeeld aan hun eigen verdere ontwikkeling. Bovendien wordt zo in kaart gebracht de bijdrage die zij hebben geleverd aan de Surinaamse maatschappij.
De Nederlanders in het Amazonegebied
Aan het eind van de 16e eeuw, raakte de Republiek der Nederlanden steeds meer betrokken bij koloniale activiteiten in Amerika. Niet alleen het vasteland maar ook de kleine Caribische eilanden werden aangedaan en er verrezen verschillende handelsposten, onder meer ook in Guyana. Zo hielden in 1612 op de plaats waar het fort Zeelandia later in Suriname verrees de Nederlandse kooplieden Nicolaes Baliestel en Dirck van Saenen zich op. In de eerste helft van de 17e eeuw gingen de Nederlanders zelfs over tot de vestiging van kolonies in Essequibo (1613), Berbice (1627), het noordwesten van Brazilië en Suriname (1667). Over de beginperiode van de Nederlanders in Amerika zijn er enkele (deel)studies verschenen, maar daarbij stond Europa centraal. De aanwezigheid van Nederland in het grotere Amazonegebied, zeker tot de formele verovering van Suriname in 1667, verdient nader onderzoek.
In samenwerking met de Anton de Kom Universiteit van Suriname en de Braziliaanse Federale Universiteit van Roraima (UFFR) zal er onderzoek gedaan worden naar “the Dutchmen in the Amazone”. Tijdens dit onderzoek zal gekeken worden naar:
- Het verband tussen de Nederlandse economische activiteiten in de verschillende delen van het Amazonegebied;
- De relatie tussen de Nederlandse kooplieden en planters en de inheemse
Bevolking;
- Het begin van de Afrikaanse slavernij in dit gebied en de vroege vormen van marronage.
2009-2010
De brieven van Boston Band 1657-1763
De correspondentie van Boston Band met de hoogste gezagsdragers is uniek in de slavernijgeschiedenis. De vertalingen van zijn brieven zijn bewaard gebleven en geven ons inzicht in de denkbeelden en handelingen van ex-slaven in de door hen zelf gecreëerde samenlevingen, en van de plantagehouders en bestuurders.
Het onderzoek hiernaar van dr. Frank Dragtenstein is in 2009 afgerond.
Opgroeien in slavernij, toen en nu
Naar het lot van slavenkinderen is weinig historisch onderzoek gedaan. Evenmin is er voldoende aandacht voor de miljoenen kinderen wereldwijd die vandaag de dag slachtoffer zijn van kinderslavernij. Met financiële bijdragen van het VSBfonds en de Mondriaan Stichting is begonnen met de uitvoering van het onderzoeksproject Opgroeien in slavernij, toen en nu. Dit project doorbreekt de stilte over het leven van kinderen in slavernij. Onder de titel Kind aan de Ketting is vanaf begin 2009 een tentoonstelling te zien in het NiNsee. Verder staan gepland een wetenschappelijke bundel, een educatief programma, een website en een kinderboek (2010).
Projectleider is dr. Aspha Bijnaar.
De emancipatie van marronvrouwen in Suriname
Slaven die de Surinaamse plantages in de zeventiende en achttiende eeuw ontvluchtten, stichtten in het oerwoud, langs de grote rivieren, nieuwe gemeenschappen waar vanuit georganiseerd verzet tegen de slavernij plaatsvond. Deze gemeenschappen ontwikkelden zich tot zes volksstammen die van elkaar verschilden qua taal en cultuur. De nazaten van deze gevluchte slaven worden marrons genoemd.
Marronvrouwen hebben historisch gezien een belangrijke bijdrage geleverd aan het voortbestaan van de marrongemeenschappen. Bij de stammen geldt de matrilineaire lijn, wat het belang van de positie van vrouwen onderstreept. In deze positie en de traditionele marronsamenleving is in de loop der tijd verandering gekomen door onder meer urbanisatie, industrialisatie, modernisatie, missie, zending, onderwijs en de binnenlandse oorlog.
Het onderzoek De emancipatie van marronvrouwen in Suriname richt zich op de effecten van de urbanisatie in de tweede helft van de twintigste eeuw op de sociaal-economische positie van marronvrouwen in Suriname. Martina Amoksi MSc, rondde dit onderzoek in 2009 af.
Pacificatiebeleid in het Caribische gebied
Suriname was tussen 1650 en 1975 een Nederlandse kolonie en, met enkele kleine onderbrekingen, ook van het Britse rijk. Vrijwel direct na de bezetting begonnen Nederlandse kolonisten met de aanleg van plantages met tropische gewassen. De blanke Europeanen lieten de inheemse bevolking, door hen indianen genoemd, het zware werk verrichten. Veel inheemsen verzetten zich tegen de uitbuiting en onderdrukking. In 1675 begonnen ze zelfs een guerrillaoorlog tegen de kolonisten. Omdat de opstandelingen moeilijk te bestrijden waren, besloot het koloniaal bestuur een pacificatiepolitiek te voeren en vrede te sluiten met de inheemsen.
In de periode hierna werden honderdduizenden Afrikanen gedwongen naar Suriname gehaald, ter vervanging van de inheemsen op de plantages. Veel Afrikanen verzetten zich en vluchtten de ondoordringbare bossen in. In de loop der jaren probeerde het koloniaal bestuur met strenge wetten en bospatrouilles de verschillende groepen ontsnapte slaven, de marrons, te bestrijden. De marrongroepen bleven echter niet alleen in aantal maar ook in omvang toenemen en ondanks alle maatregelen kon niet worden voorkomen dat zij de plantages aanvielen. Vanaf het midden van de achttiende eeuw sloten verschillende gouverneurs vredesverdragen met marronstammen.
Met medewerking van het NiNsee onderzocht Eric Jagdew MSc de afgelopen drie jaar, zowel in Suriname als in Nederland, literatuur en archieven op de vredesinitiatieven die het Nederlandse koloniale bestuur tussen 1650 en 1863 nam tegen opstandige inheemse en marrongroepen. In het voorjaar van 2009 werd het onderzoeksrapport gepubliceerd.
Programma’s van The International Slavery Museum en The British Empire & Commonwealth Museum
Op woensdag 9 september presenteerde Polly Redman, student van de Reinwardt Academie en stagiair bij het NiNsee, de resultaten van haar afstudeeropdracht over gevoelige onderwerpen als de Tweede Wereldoorlog, de Holocaust en het slavernijverleden. Levert het ene museum, bijvoorbeeld de Anne Frank Stichting, op dit gebied indrukwekkende producten, andere, zoals het NiNsee, zijn nog zoekende. Redman deed onderzoek naar de succesvolle programma’s van The International Slavery Museum in Liverpool en The British Empire & Commonwealth Museum.
Sociale banden tussen slavenfamilies
Vanaf 2004 werken het NiNsee en de Hernhutter Archieven Suriname nauw samen in het onderzoeksproject Sociale banden tussen slavenfamilies in de 18e en 19e eeuw.
De catalogi van de Evangelische Broedergemeente in Suriname vormen de basis voor dit onderzoek. In de publicaties wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het leven van de slaven op plantages waar missionarissen vanuit Charlottenburg zendingsarbeid verrichtten. Ook wordt ingegaan op pogingen van de missionarissen om de levenswandel van de slaven te veranderen.
In 1734 vertrokken Duitse missionarissen van de Brüder Unitat in opdracht van graaf Nikolaus Ludwig von Zinzendorf naar Suriname om er zendingswerk onder de tot slaaf gemaakte bevolking te verrichten. Het resultaat van hun zendingsarbeid is in verschillende documenten vastgelegd. Hierin is ook de kerkelijke levensloop van de doopkandidaten beschreven.
Prof. dr. H. Lamur, mr. N. Boldewijn en drs. R. Dors voeren dit onderzoek uit.
West-Indische immigranten in Suriname
Met het onderzoeksproject West-Indische immigranten is in 2007 een begin gemaakt. Na de afschaffing van de slavernij in 1863 was er een tekort aan arbeidskrachten voor de Surinaamse plantages. Daarom werden mannen en vrouwen in het Caribische gebied geworven die als contractarbeiders op de plantages in Suriname gingen werken. In totaal zijn tussen 1863 en 1892 circa 2.500 personen uit het Caribische gebied ingevoerd: mensen van Afrikaanse origine, Chinezen en Hindoestanen.
Het gegevensbestand van de West-Indische immigranten bevat een schat aan informatie over deze contractarbeiders: familienaam, voornaam, leeftijd, geslacht, geboorteplaats, verwantschapsrelaties, religie, beroep, geboorte, sterfte en doodsoorzaken. In de databank is ook informatie opgenomen over lengte, lichaamskenmerken en huidskleur van de contractarbeiders, naam van de ‘eigenaar’ en de plantage waar de contractant te werk werd gesteld, duur van de arbeidsovereenkomst, desertie en uitgifte van gronden.
Het onderzoek hiernaar wordt uitgevoerd door prof. H. Lamur en drs. R. Dors.